VIII  Mattheus van Schonevelde genaamd von Graesdorp (von Gravestorp)

 

Geboren circa 1400.

Overleden na 1458.

 

Hij trouwde vóór 2 december 1439 met Margaretha (Griete) van Sombreff, overleden na 1490. Dochter van Wilhelm II van Sombref  zu Kerpen (die 1461 de burcht Saffenberg bezit, en uit het bekende brabantse geslacht stamt) . Sombref  ligt bij Namen, in het noorden van de provincie Namen.

(Bron, A. Fahne, Keulen, blz.126) en Isabeau Chabot.

 

Bezit het huis Mallem bij Eibergen 1447, leenman van Borculo 1448, vrijschepen van het Heilige Roomse Rijk 1449, burgemeester van Vollenhove 1456.

Opmerking : Ondermeer vermeld in Europaische Stammtafeln XI, Tafel 14. Van hieruit weer aansluitingen naar Karel de Grote - Wevelinghoven - Müllern - Boxtel - Cuyk - enz.). Zie hiervoor 'Die Nachkommen Karls des Grossen”, Erich Brandenburg, uitgave 1998, pag. 103.

 

Mattheus van Graessdorp werd in 1469 vermeld als lid van de Borculose ridderschap en heer van Mallem en Borculo. Het Huis Mallem is ontstaan uit een feodale hof. Aan het bezit van Mallem was het jachtrecht in de Heerlijkheid Borculo verbonden. De molen was dwangmolen voor de ingezetenen van het kerspel Eibergen.

 

De verbondsbrief uit 1469 en het ridderschap.
In een verbondsbrief, die alleen in kopie bekend is, tussen hertog Adolf van Gelre, graaf van Zutphen, en Gijsbert heer van Bronckhorst en Borculo uit 1469, komen de namen van negen Borculose adellijke lieden voor, die dit verbond met heer Gijsbert medezegelen. Zij, die genoemd worden ‘mijne ridderschap’, zijn: Mattheus von Graesdorp, Herman van Middachten, Johan van Maerhuls, Evert van Diepenbrock, Johan Mensinck, Johan ter Hoeven, Johan de Buesse, Hendrick van den Grotenhuys en Johan Barmeloe. Sommigen kunnen we meteen thuisbrengen.
Graesdorp was leenbezitter van het Huis Mallem, Herman van Middachten hoort bij de havezate Harreveld in het kerspel Groenlo, ambt Lichtenvoorde, Grotenhuys hoort misschien bij het Munsterse leengoed van die naam in Gelselaar en Johan Barmeloe hoort bij de havezate De Kamp onder Neede. Johan ter Hoeven hoort waarschijnlijk bij de al heel lang verdwenen havezate Ter Hoeve in Noordijk bij Neede. Johan Mensinck was waarschijnlijk de eigenaar van het Gelderse leengoed van die naam in Biel bij Geesteren. Evert van Diepenbrock en Johan de Buesse zijn moeilijker te plaatsen.

 

De Borculose ridderschap. (Borculo = Overrijsel in Gelderland)
In de heerlijkheid Borculo heeft de adel veel invloed gehad. Daarvan getuigen de vele adellijke huizen die hier ooit zijn geweest. In de vijftiende en zestiende eeuw maakten sommige edellieden deel uit van de ridderschap van Borculo. Dit was een groep edellieden die de landsheer, de heer van Borculo, op afroep bijstond in het bestuur van de Heerlijkheid. De heer kon bijvoorbeeld niet om hen heen als hij een belasting wilde heffen. Dan had hij de toestemming van zijn ridderschap nodig. Verder vormden de ridders een college dat rechtszaken in hoger beroep behandelde. Het is echter de vraag of de Borculose ridderschap een echt staand college is geweest, d.w.z. of het een structurele en continue aanwezig bestuurlijke organisatie is geweest. De in het zuiden van de Achterhoek gelegen heerlijkheid, later graafschap, Bergh heeft ook een eigen ridderschap gehad. Ook daar is de ridderschap niet uitgegroeid tot een staand bestuurscollege
.(Bron, Ingrid D. Jacobs, Adel en ridderschap in Gelderland. Tien eeuwen geschiedenis (Zwolle 2013) A.H. Martens van Sevenhoven, ‘De ridderschap van Borculo’, in: Bijdragen en Mededelingen ‘Gelre’, XXVII (1924) blz. 229-231.

 

 

Vanaf 1430 is er sprake van (een) Mattheus, die dan van de heerlijkheid Borculo de molen te Mallum in lijftocht en later in leen krijgt ; na zijn dood wordt in 1458 zijn gelijknamige zoon beleend.

Onse lieve zwager “Mattheus van Schonevelde van Grasdorp” kreeg 11 mei 1430 van Otto heer te Bronkhorst en Borculo onse molen" te Mallum, die destijds wijlen Evert van Baeck toebehoorde, in lijftocht; op 7 september 1447 werd ook zijn vrouw Margaretha van Sombreff aan dit goed getuchtigd door de eigenaar, later leenheer.


Waarom Otto van Bronkhorst Mattheus van Schonevelde "Onse lieve zwager" noemt, heeft mogelijk de volgende reden :
Hermanna van Bronkhorst van Batenburg, trouwde 1415 Willem van Gulik, zoon van Hertog Reinald IV van Gelre en Gulik.

Hun zoon, Gisbert van Wachtendonk, overleden na 23 november 1484, trouwde Maria van  Sombref  (KdG website reeks 162 Siegmund)
Volgens Erlangen is Margaretha een volle zuster van Maria.
Otto behoort tot een andere tak Bronkhorst (van Borculo) en is daarom geen broer, maar een familielid. En "zwager" moet in zeer ruime zin opgevat worden.

Sombref  kan een bindmiddel geweest zijn voor de buitengewoon hartelijke verhouding.

Mattheus is één van de dedingslieden voor Otto's dochter Gijsberta bij het op 24 mei 1435 aangaan van huwelijksvoorwaarden met Everwijn, graaf te Bentheim en heer te Steinfurt. Waarschijnlijk is hij ook deze Mattheus, die in 1449 als getuige voor genoemde Gijsberta optreedt.

Over de Mallemse Molen.


Van Middeleeuwse oorsprong is ook de molen van de hof te Mallem in de gelijknamige Eibergse buurschap. In de inmiddels bekende goederenlijst van graaf Hendrik van Dahl uit 1188 komt de "curtis [=hof] Mallande" voor.

Deze hof met hetgeen er bijhoorde is in 1331 met de meeste andere Diepenheimse bezittingen in bezit gekomen van de bisschop van Utrecht. In de periode 1379 - 1394 was Henric van Wexten leenman van de bisschop. In die jaren is er alleen nog maar sprake van de hof te Mallem, nog zonder molen.

 

Tussen 1394 en 1449 moet de heer van Borculo leenbezitter van de hof zijn geworden, maar daarvan is geen vermelding bekend. In 1449 transporteerde heer Otto van Bronkhorst en Borculo de hof aan Mattheus van Schonevelde geheten van Grasdorp.

 

In 1449 was de leenband met Utrecht niet meer aanwezig, hoewel het leen tot de opheffing van het leenstelsel in 1795 nog aangeduid werd als "Stichts leen" (het Sticht = Utrecht). De heer van Borculo trad voortaan op als leenheer.

 

De versterking van de positie van de heer van Borculo in Mallem kan ook samenhangen met het huwelijk op 10 december 1418, van Otto van Bronkhorst-Borculo met Agnes van Solms uit Ottenstein. Door dit huwelijk verwierf Bronkhorst enkele honderden lenen, waaronder de halve tiend over de "hoff to Mallenden".


De molen bestond al in 1430 en was toen reeds eigendom van de heer van Borculo. Van Schonevelde kreeg op 11 mei van dat jaar de molen te "Mallemen" in vruchtgebruik. Voordien was Evert van Baeck er de eigenaar van.


Het is in ieder geval de heer van Borculo geweest die hof en molen verenigd heeft tot één complex. Vanaf 1449 tot 1795 vormden hof en molen een leengoed van de heer van Borculo.

 

Achtereenvolgens werden leden uit de volgende geslachten met het huis, molen en vestenis te Mallem beleend :

- Van Schonevelde geheten van Grasdorp (1449, 1458, 1470)
- Van Viermundt (1519, 1581) (verwant met Padberg)
- Van Keppel (1617-1795).

 

Het huidige molencomplex dateert uit de achttiende eeuw. De oliemolen, die op de linkeroever stond, is in het begin van de twintigste eeuw gesloopt.Het deftige muldershuis diende in de achttiende en negentiende eeuw ook als verblijfplaats voor de heer van Mallem. Het Huis te Mallem is zeer vermoedelijk al in de eerste helft van de achttiende eeuw gesloopt [1].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bewoners van de Hof te Mallem

1394 - Henrich van Wexten.

Vermoedelijk na 1398 - Sweder Kempinch

Voor 1430 - Evert van Baek.

1430 - Mattheus van Schonevelde en van Grasdorp, gehuwd met Margaretha van Sombreffe.

1458 - Mattheus van Schonevelde gen. Grasdorp

1496 - Mattheus van Schonevelde gen. Grasdorp gehuwd met NN. van Hackfort, dochter van Gerrit van Hackfort tot Vorden en Mechteld Tengnagel.

1519 - Philipp van Viermünden tot Nordenbeck en Bladenhorst, gehuwd met Margaretha van Schonevelde gen. Grasdorp, dochter van Mattheus van Schonevelde en NN van Hackfort.

1536 - Ambrosius van Viermünden beleend met Oeding en Mallem, zoon van Philipp van Viermünden en Margaretha van Schonevelde gen. Grasdorp.

(zie 1 onderaan)

1580 - Dirk van Viermünden, zoon van Ambrosius von Viermünden

Ca. 1610 - Catharina von Viermünden, dochter van Ambrosius von Viermünden, gehuwd met Ludolf Coenraad van Keppel.

1649 – Jonkheer van Keppel tot Oeding.

1676 – Jonkheer Arnoudt Ludolph van Keppel tot Mallem, heer van Oeding.

 

Kwam Mattheus vóór zijn vrouw te overlijden, dan zou deze één jaar lang molen en tuin mogen gebruiken.
De molen ging later over op zijn gelijknamige zoon. Dus niet op Ludolph.

 

Otto behoort tot een andere tak Bronkhorst (van Borculo) en is daarom geen broer, maar een familielid. En "zwager" moet in zeer ruime zin opgevat worden. Sombreffe kan een bindmiddel geweest zijn voor de buitengewoon hartelijke verhouding.

 

Een akte uit 1431 (Bron, Gerecht Veldhausen, buurschap Grasdorf) :

Donnerstag nach St. Catharinen Matheus van Schoenevelde, auch genannt van Gravestorpe, trägt in Gegenwart von Wessel den Kock, Richter, im Namen meines Herrn van Utrecht, in das Gericht von Ulsenund in Gegenwart von Auserwählten und Gerichtsleuten auf den Prior zu zwecks des Convents (Kloster) te Sibbekeloe über die Erben Bennekinck und Keddinck, mit 3½ Waren mit Torf, Zweig, Wasser, Wiese, zu Wald und zu Bruch (Moorlandschaft) und mit allen Zubehör in der Bauernschaft Itterbeke im Kirchspiel von Ulsen, ausgenommen einer Heumaate (Heuwiese am Flussufer). Bei dem Nijenhuis, eine halbe Ware, in alten Zeiten von den Erben (Höfen) verkauft. Hierunter steht klein geschrieben:
“In Niederdeutsch”, Auserwählte und Gerichtsleute: Johan Strodinck, Berend Warnsinck und Herman de Dobberler. Außer durch van Schoneveld auch durch den Auserwählten Johan Strodinck im Namen des Richters, der selbst keine Vorschrift (Weisung) hatte, besiegelt. Beide in braunem Wachs, beinahe prächtig, mit einem später zu erwähnenden Schriftstück vom Samstag vor St. Marcus dem Evangelisten 1431.



Op 2 december 1439 consenteert Otto van Bronkhorst in het verzoek van Mattheus zijn vrouw Griete van Sombreff te tuchtigen aan goederen te Haaksbergen, te weten het erf te Averbroick en het erf te Yweschote [2] .

 

In 1447 komt hij voor als bewoner van het Huis Mallum, en op 12 maart 1448 als leenman van Borculo.[3] .

 

Op 22 juni 1440 zijn Mattheus van Gravestorpe, Hendrik van Semwerd en Egbert, heer van Almelo getuigen voor Hendrik van Gramsbergen [4] .

 

Op 1 december 1446 treedt een Henrick van Kuenre op als gerichtsman te Borculo (Schilfgaarde.De graven van Limburg Stirum dl. 111, 2e stuk R 470; het zwaar beschadigde zegel laat voldoende duidelijk een leeuw herkennen).

 

Met de hof te Brunynck onder Enschede zien wij in 1470 beleend Mattheus van Gravestorp, zoon van Mattheus van Schoneveld alias van Gravestorp, en wel als een twaalflingen-goed tot de Nyenborch.

 

Een onderzoek van de oorkondenverzameling Bentheim-kerk in het Staatsarchief Osnabrück en andere Westfaalse archieven zal ongetwijfeld nog meer gegevens over deze tak der /Cuinre's opleveren.

Bron, Nederlandsche Leeuw, 1967, kol 306

 

Op 11 november 1449 komt hij voor als vrijschepen van het Heilige Roomse Rijk [5] .

 

Op 1 februari 1449 schenkt Otto heer te Bronkhorst en Borculo aan zijn zwager “Mattheus van Schoneveld en van Graesdorp” en diens kinderen de Hof te Mallum met de molen en het gemaal over het kerspel van Eibergen onder voorwaarde dat Mattheus’ erfgenamen binnen 12 jaren na diens dood zullen geven 500 Rijnse gulden en dat zij de Hof met de molen naar Stichts recht ter leen zullen houden [6] .

 

Een akte uit 1452 leert ons dat de naam in het begin “von Gravestorpe” gezegd en geschreven werd. Zie de akte

 

Op 8 april 1456 komt Mattheus van Gravesdorpe voor als burgemeester van Vollenhove [7] .Tijdens zijn leven komt hij in de Vollenhoofse archivalia slechts in 1456 voor.

 

1470, Overijssel

Mattheus van Gravestorpe, zeliger mattheus zone, met den hof to Brunijnck onder Enschede vor een twelflinge gut tor Nyenborch beleend.

 

 

Uit het Gelders archief, Huis Hackfort (vermoedelijk gaat het om deze Mattheus x Sombreff) :

428- Een brieff met 3 uijthangende segels in dato 1449, waerbij Elbert van Alphem, heer tot Hempel, Gosen Steck und Johan van Alphem bekennen schuldich te sijn an Matthaeus Schonevelt geheeten van Graessdorp, die somma van 650 averlensche Rijnsche gulden die sij hem gelaven te betalen een jaer nae doode Ludolphus van Schonevelt. Nota dat hijrtoe gehooren bijliggende pampiren bij den anderen gebonden.

 

 

( 1)  Burcht Oeding im 1599

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de loop der geschiedenis wisselde de burcht Oeding dikwijls van bezitter.Na de verkoop aan de Heren von Bermentfelde kwam het huis aan Ambrosius von Viermunden (1517-1580) getrouwd met Friderune von Morrien (vermeld 1536-1556).

Ambrosius was de zoon van Philip I von Viermund(en) zu Medebach und Nordenbeck (1470 + 1528) en van Margaretha von Schonfeld genaamd von Grastorff die 1519 beleend waren met de Munsterse havezathe Mallem bij Eibergen (NL).

Later ging het bezit over aan de Heren von Keppel en ten laatste aan de Heren von Mulert.In 1839 werd de burcht en de bezittingen verkocht en de graven in 1854 toegeschut.

De gebouwen werden later, behalve de burchttoren uit de tweede helft van de 15de eeuw en een deel van de gewelven, neergehaald.

Philip I von Viermund zu Medebach und Nordenbeck (° voor 1470 + 1528) was Heer van Nordenbeck, Bladenhorst en Mallem.Hij was tevens Ambtman van Medebach.Hij stamt af van de Hessische adellijke familie von Viermund die op de burcht Nordenbeck woonde.

 

Hij was de oudste zoon van Konrad IV von Viermund zu Nordenbeck, Heer von Nordenbeck und Fürstenberg, Amtmann van Medebach en van diens vrouw Margaretha von Hatzfeld zu Wildenburg. Als de vader omstreeks 1493 stierf werd de nalatenschap verdeelt onder de drie kinderen en Philip erfde de helft van de burcht en het heerschap over Nordenbeck en het ambt Medebach. Johann erfde de andere helft van de burcht en het heerschap Nordenbeck en de helft van het Gerecht Viermünden.

De jongste broer, Ambrosius erfde de heerschap Fürstenberg. In 1496 huwde Philipp een eerste keer, met Beatrix von Düngelen († 1514), dochter van Hermann von Düngelen, Heer von Bladenhorst, waaruit Philipp de heerschap Bladenhorst erfde. Hij stichtte daardoor de Westfälische Lijn Viermund-Bladenhorst, die Bladenhorst tot 1624 in eigendom hielden .

Wanneer zijn broer Johann 1510 kinderloos sterft, gaat zijn aandeel aan Nordenbeck naar Philip, terwijl Ambrosius het halve Gerecht Viermünden erfde. Ambrosius heeft intussen door huwelijk de Heerschap Neersen aan de NederRhein verworven en de Heerschap Fürstenberg verkocht.

Hij laat nu de helft van het Gerecht Viermunden over aan Philip. In 1519 werd Philip ook heer van Mallem in het Hertogdom Gelderen (huidig Nederland, Gemeente Berkelland)

Na de dood van zijn eerste vrouw, huwde Philip een tweede keer met Margarethe von Schönfeld genaamd von Grastorff, de weduwe van Mathias von Saasen (Sassen).

Uit zijn eerste huwelijk met Beatrix heeft hij twee zonen en twee dochters :

· Johann I. (° 1498 † 1548), Heer von Bladenhorst

· Hermann (° 1501 † 1563), Heer von Nordenbeck, Amtmann zu Medebach, Drost van Dringenberg, Heer von Hermannsberg

· Katharina († 1597), ∞ 1524 Hermann von der Malsburg († 1557), Maarschalk van de Landgraaf van Hessen

· Clara

Uit zijn tweede huwelijk met Margarethe von Grastorff  heeft hij één zoon :

· Ambrosius (° 1517 † 1580), Heer van Mallem, in 1536 ook Heer van Oeding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bron, STANNY VAN GRASDORFF, vrije vertaling uit het Duits, Landesarchiv NRW, abteilung Westfalen 35, 23 april 1452.

Burcht Oeding 1599
Burcht Oeding

Terug naar vorig blad

Het Hof te Mallem